. . . halloooo . . . .

Van buiten heeft het orgel altijd wel een stevige uitstraling. De binnenkant ziet er heel wat gedetailleerder en gecompliceerder uit. Denk even aan het festonneren van de oogjes. In de ventielkast zijn nieuwe pulpeten gemaakt: kleine leren zakjes die een beweegbare afdichting realiseren op de plaats waar de trekdraden naar buiten gaan. Op een zelfde manier gemaakt zoals ook door Van Dam werd uitgevoerd. Het oranje/rode is een verzegeling van lak, zgn zegellak, wat destijds ook bij het verzegelen van brieven werd gebruikt. Jammer dat daar straks weer een voorslag voor zit, het kleurt zo chique, wit, het goudkleurige messing en het felrode bandje. Het maken alleen al is een tijdrovend klusje en ook het inhaken van de trekdraden tussen ventiel en wellenbord is niet is in een uurtje gedaan.

Bij het pijpwerk, dat uit een oud huisorgel afkomstig is, is na vergelijkend onderzoek vastgesteld dat het voor het grootste deel door H. Knipscheer (tweede generatie) gemaakt is. Knipscheer werd in 1802 geboren en was orgelmaker in Amsterdam. Het bedrijf stond aan de Nieuwezijds Achterburgwal, waar hij zelfstandig zijn eerste orgel maakte voor de Hervormde Kerk in Sassenheim. In 1845 verhuisde het bedrijf naar de Nieuwezijds Voorburgwal en ten slotte in 1858 naar de Warmoesstraat. De twee laatste panden lagen aan een gracht, waardoor het vervoer van orgels gemakkelijk was.

Vandaag staat er een kist met nieuwe conducten naast de orgelkas, hoewel zonder panelen lijkt de kas meer op een geraamte. Ieder conduct is weer anders van vorm en lengte. De discant van de Bourdon komt op een verhoogde stok direct achter het front te staan. De conducten zijn de verbinding van orgelpijp met de windlade.

Voor de Trompet zijn de stevels en koppen gemaakt. Bij de labiaal pijpen ontstaat de toon bij het bovenlabium (= lip). De orgelwind komt door de smalle strook naar buiten en bij dit bovenlabium ontstaat een werveling van wind, welke frequentie afhankelijk is van de lengte van de orgelpijp (toonhoogte). Bij een tongwerk, zoals de Trompet, wordt de toon gemaakt door een dunne koperen strip (= tong) die op een smalle “lepel” (= keel) ligt en door de orgelwind tegen de keel wordt geduwd, en door de veerkracht van de tong weer terug komt. Die keel wordt in de kop (op de foto rechts) geklemd. De kop met de keel staat in de stevel. De toonhoogte wordt hier bepaald door de lengte van de tong. De metalen beker, die op de kop geplaatst is zorgt voor de versterking van de klank. Een verschijnsel dat iedereen wel herkent. Want wat doet u als u buiten iemand roept die op een grotere afstand staat . . .? Juist u vormt met uw handen een trechter om de mond en roept . . . halloooo . . .

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s