. . in het verborgene . . .

Soms blijven de oplossingen die een orgelmaker moet maken verborgen voor iedereen. Omdat het een oude windlade betreft van een huisorgel met een registerdeling in bas en discant moeten sommige slepen aan elkaar gekoppeld worden. In deze windlade liggen de slepen van de fluit 4 vt niet in het verlengde van elkaar. Het speciale koppelstuk dat beide slepen met elkaar verbindt gaat schuil onder de pijpstokken. Onzichtbaar voor de bespeler en de geïnteresseerde kijker.
Bij de Woudfluit gaat het iets anders. De discantsleep, die aan de registerknop gekoppeld is, trekt via een ijzeren balanswel de bassleep open.
Door het opschuiven en een andere indeling van het pijpwerk, zie ook het vorige bericht, zijn er nieuwe stokken en slepen nodig. Als gevolg hiervan zijn ook de pijproosters vernieuwd.

Advertenties

. . . ongeveer 25% . . .

Niet alleen de windlade voor het dwarswerk, maar ook een menigte aan “losse” onderdelen die daarvan deel zijn, worden onderhanden genomen. Van een aantal ventielen waren stukjes hout afgebroken en enkele waren zelfs gescheurd. Deze zijn weer volledig hersteld. Dat is nu nog goed zichtbaar omdat het oude hout, dat daarvoor gebruikt is, nog schoon is. Ook voor de vernieuwde zijkant van de windlade is oud eikenhout gebruikt.
Verder zijn er nieuwe stokken en slepen gemaakt. Het pijpwerk op het oude windlaadje is van diverse makelij en dateert van plm. 1800-1860. De ‘nieuwe’ Quintfluit 3 vt is een opgeschoven 1 voets-register. Ogenschijnlijk een kleine wijziging, echter met gevolg dat er nieuwe pijpstokken gemaakt moeten worden.
De windlade waar alle pijpen op staan heeft 54 kamertjes, die we cancellen noemen. Iedere toon heeft zijn eigen kamertje. Niet iedere pijp kan een plaats direct boven die cancel krijgen. Daarom moet de wind, die vanuit de cancel naar de orgelpijp gaat, soms een omleiding volgen, d.m.v. een vervoersstok. Het ene uiteinde van de sleuf begint boven de cancel en komt uit bij de orgelpijp.
Wanneer de afstand tussen windlade en pijp te groot is voor een vervoerstok maken we gebruik van een dun loden buisje dat we conduct noemen. De ene kant in het ronde gat en de andere kant wordt aangesloten op de pijp. We komen die toepassing ook tegen bij de orgelpijpen die in het front staan.
Zo moet er effectief en heel precies gewerkt worden. Want hoe zorg je voor voldoende toevoer van wind als de ruimte beperkt is? Zo zijn de gaten in de stokken van de Fluit dolce 8’ bas vierkant gemaakt in plaats van rond. Bij eenzelfde doorsnee is de oppervlakte van een vierkant ongeveer 25% groter dan een rond gat.

. . het was even proppen . . .

De windlade voor het dwarswerk wordt stevig onderhanden genomen. Door de orgelmakers Van Dam werd voor het tweede klavier vaker een lade van een huisorgel gebruikt. Ook hier doen we dat. Helaas is de bouwer onbekend. De uiterlijke kenmerken wijzen er echter op dat het trapeziumvormige laadje van een Amsterdamse makelij is en omstreeks 1814 gemaakt. Je zou kunnen denken aan Knipscheer, in ieder geval is het van de Amsterdamse orgelmakers-school.
Voor de bouw daarvan is eerste klas kwaliteit eikenhout gebruikt. In de orgelmakerij spreken we dan over mooi fijn jarig eikenhout, zuiver kwartiers gezaagd. De cancellen zijn met de hand gezaagd en uitgestoken. In de jaren 50 van de vorige eeuw is dit door een amateurbouwer aangepast. De lade wordt geheel schoongemaakt, van nieuw leer voorzien en alle ondeskundig en uitgesleten gaten worden weer gedicht met proppen van oud eikenhout.

Merkwaardig is dat er onder de dammen een rij met boringen tevoorschijn komt. Hoewel de gaten door de dammen afgedicht wordt is toch maar voor de meest bedrijfszekere oplossing gekozen. Ook opvullen!

. . . na een dikke honderd jaar . . .

Een belangrijk deel van het (elk?) orgel is toch wel de balg, die voor de windvoorraad zorgt. Dit orgel heeft een magazijnbalg en twee schepbalgen die met een pompboom kunnen worden bediend. De balgbladen vertoonden na al die jaren nogal wat flinke (droogte-) scheuren in het grenenhout. Sinds de bouw in 1912, zie ook de potlood-aantekening van W. van Daalen, is de balg niet meer open geweest, ruim 100 jaar dus. Balg en schepbalgen zijn helemaal gedemonteerd. Een hele klus als we kijken naar de werkzaamheden die daaruit voortvloeien. Even de feiten op een rijtje:

– Alle balgdelen schoon gemaakt en ontdaan van lijmresten.
– Alle kieren en scheuren zijn afgedicht met leerstroken.
– Het te grote inlaatgat voor de windmotor aangepast en klein gat voor het windkanaal van de pedaallade.
– Al het leerwerk is vernieuwd . . . .
– Alle ventielen en hun zittingen zijn vernieuwd, alles in Van Dam-factuur.
– Alle ijzerdelen ontroest en zwart geverfd.
– Alle schroeven van de scharen en de (overdruk-) ventielen zijn vernieuwd.
– Als laatst is blauw papier op de vouwen geplakt.

We kunnen met deze aanpak zeker stellen dat ze wel weer 100 jaar dicht kunnen blijven.

 

De kaalslag . . .

Een van de eerste actiepunten voor de restauratie was o.a. het schoonmaken van de kas. Bij de modernisering van het kerkgebouw in 1962 werd ook het orgel aangepast en voorzien van een andere kleur. In het archief kwamen we de kostenpost voor het schilderwerk tegen.

1 kg eiglans                                   fl. 11,30
2,5 kg A1000 Lakwit                   fl. 13,25
3 kg Prestolin grondverf           fl. 12,75
Totaal                                              fl. 37,30

De dikke laag witte verf liet zich makkelijk verwijderen. Onder de witte laag kwam een donkerbruine dekkende laag en daaronder een donkere imitatie-eiken beschildering (de originele) tevoorschijn. Het was destijds een veelvoorkomende techniek om het goedkopere grenenhout de uitstraling te geven van een duurdere houtsoort als b.v. eiken-, mahonie- of palissanderhout. Mahonie en palissander-imitaties waren in de vroege 20e eeuw niet meer gebruikelijk. De kas  krijgt straks weer een eiken-imitatie terug krijgen.

Er moet toch meer zijn . . . .

Een vraag die de orgelmaker in zijn greep hield. De enige afbeelding die we van het orgel tegen kwamen liet enigszins gedrongen orgelfront zien. De onderbouw weg gestopt achter een schrootjes betimmering. Evenals de kerk gemoderniseerd in de jaren ’60 van de vorige eeuw. Hoe was het voor die tijd? De zoektocht op internet levert steeds de situatie na 1963 op. Na grondiger speurwerk komen we op het spoor van het archief. Als we daar op een morgen een bezoek brengen krijgen we bij het openen van de eerste map het orgel in zijn volle glorie te zien. Aan de hand van de originele foto’s is de reconstructie tekening gemaakt. De blauwe lijn is de huidige situatie en geeft duidelijk weer dat er het nodige van de kas is verdwenen.