. . . waar je warm van wordt . . .

Het uur U is aangebroken, de vrachtauto van de vervoerder rijd langzaam achteruit naar de werkplaats. De deur zwaait open, het laden kan beginnen. Alles verloopt vlot en tegen twaalven gaat het richting Nieuw Beijerland. Maar dan is het ook tijd om uit te laden met z’n vieren pakken ze de klus aan en een uurtje later is de auto leeg. Als eerste maar het basisframe plaatsen. Belangrijk is het waterpas is en op de juiste plaats staat.
De volgende dag wordt de kas verder opgebouwd. Diezelfde dag nog volgen de windlade, de balg en de kappen dezelfde weg naar boven. Alles krijgt zijn plaats en de nieuwe kroonstukken prijken boven op de kas.
Vanuit de kerk krijgt men nu al een aardige indruk van het orgel. Natuurlijk zijn we er nog niet want er moet nog wel het nodige werk verzet worden. Werk waarvan de bezoeker, die in de kerk staat te kijken, niet zoveel van meekrijgt. Het aansluiten van mechanieken, een deel van het windkanaal, allemaal “klein” werk.
Na de zondag, waarop men ongetwijfeld over het bouwsel achterin de kerk heeft gesproken, wordt de tractuur aangebracht. Een minutieus werkje, zie het vorige verslagje, dat tijd kost. Vervolgens moet dat dan ook nog eens afgeregeld worden zodat er een fijne speelaard bereikt wordt. Een goed toucher, zoals men zegt, want daar houden organisten van. Vraag ze daar maar eens naar! Vanuit de gemeente is er veel belangstelling. Iets waar een ambachtsman, die met zoveel liefde zijn instrument bouwt, warm van wordt. (Foto’s: A. J. Post)

 

je bent aardig gegroeid . . .

Voor het pedaal heeft Rini Wimmenhove de drie grootste pijpen bijgemaakt. Natuurlijk van dezelfde houtsoort als Van Dam in die tijd gebruikte: yellow pine. Hij heeft hiermee bewust het corpus van het register Subbas 16 voet een wat wijdere mensuur gegeven. Mooi die vaktaal van een orgelmaker, corpus betekent lichaam en mensuur betekend doorsnee . . .  Zo’n wijdere mensuur geeft de pijp een mooie dragende toon. De bestaande pijpen worden vervolgens allemaal 3 halve tonen opgeschoven. En komt er voor iedere toon een pijp met een wijdere mensuur beschikbaar. Ze zijn dus aardig gegroeid, niet in lengte maar wel in omvang. Daarnaast zijn alle pijpen van het pedaal, inderdaad die grote houten jongens waarvan de grootste ruim twee en een halve meter lang is, grondig nagekeken. Daar waar nodig was zijn ze gerepareerd of zijn er delen vervangen. Gerestaureerd en weer klaar voor de toekomst en hun taak. Een ondersteunende en stevige baspartij meespelen!

 

abstract = concreet

Het lijkt op hogere wiskunde voor orgelmakers. Ik hoop dat dit artikeltje als lekentaal overkomt . . .
Concreet is volgens het woordenboek: inzichtelijk, zichtbaar. De mechanische orgelbouw is dat ook. Zichtbaar, te volgen . . .
Als de toets ingedrukt wordt dan wordt er via allerlei winkelhaken en dunne houten latjes het ventiel geopend om zo wind door de pijp te laten stromen.
De orgelmaker spreekt alleen niet over dunne houten latjes maar over . . . abstracten. Hoe verwarrend kan dat voor de leek zijn als abstract ineens concreet is.
De vertikale beweging van de pedaaltoets wordt omgezet naar en horizontale beweging, daarna wordt het weer een vertikale beweging om het ventiel te openen.
De pedaallade staat dan ook nog eens haaks op het pedaal klavier. We kunnen best spreken over een complex actieplan.

Een fluitje van een cent?

. . . dat is met een tongwerk bepaald niet aan de orde. Een arbeidsintensieve klus. Eén pijp bevat zeven onderdelen. De toon wordt gevormd door de tong die op de keel ligt. Afhankelijk van de gewenste klank kan er gekozen worden voor lood- of leerbeleg op de messing keel. Het tongwerk voor Nieuw Beijerland begint in het groot octaaf als Fagot of Basson en wordt daarna Trompet. Niets nieuws onder de zon want Lambertus van Dam paste dat in 1813 al toe in het orgel voor Oosterbierum. De keel en tong worden door een spie vastgeklemd in de kop van het tongwerk. De kop staat op de stevel, of in de stevel, een houten kamertje waar de orgelwind door stroomt om de tong in beweging te brengen. Door de kop loopt de stemkruk. Het einde van de kruk is zodanig omgebogen dat het op de tong rust. De afstand tussen de stemkruk en het uiteinde van de tong bepaalt de toonhoogte. Om de toon van de tong te versterken (resoneren) staat boven op de kop de beker.
Al met al zeven onderdelen die ieder hun eigen bewerkingsmethode vereisen, en dan 56x dezelfde handelingen van groot naar klein.
Bekijk de slideshow waar ook de diverse handelingen in beeld zijn gebracht.

N70_4314 b

. . . halloooo . . . .

Van buiten heeft het orgel altijd wel een stevige uitstraling. De binnenkant ziet er heel wat gedetailleerder en gecompliceerder uit. Denk even aan het festonneren van de oogjes. In de ventielkast zijn nieuwe pulpeten gemaakt: kleine leren zakjes die een beweegbare afdichting realiseren op de plaats waar de trekdraden naar buiten gaan. Op een zelfde manier gemaakt zoals ook door Van Dam werd uitgevoerd. Het oranje/rode is een verzegeling van lak, zgn zegellak, wat destijds ook bij het verzegelen van brieven werd gebruikt. Jammer dat daar straks weer een voorslag voor zit, het kleurt zo chique, wit, het goudkleurige messing en het felrode bandje. Het maken alleen al is een tijdrovend klusje en ook het inhaken van de trekdraden tussen ventiel en wellenbord is niet is in een uurtje gedaan.

Bij het pijpwerk, dat uit een oud huisorgel afkomstig is, is na vergelijkend onderzoek vastgesteld dat het voor het grootste deel door H. Knipscheer (tweede generatie) gemaakt is. Knipscheer werd in 1802 geboren en was orgelmaker in Amsterdam. Het bedrijf stond aan de Nieuwezijds Achterburgwal, waar hij zelfstandig zijn eerste orgel maakte voor de Hervormde Kerk in Sassenheim. In 1845 verhuisde het bedrijf naar de Nieuwezijds Voorburgwal en ten slotte in 1858 naar de Warmoesstraat. De twee laatste panden lagen aan een gracht, waardoor het vervoer van orgels gemakkelijk was.

Vandaag staat er een kist met nieuwe conducten naast de orgelkas, hoewel zonder panelen lijkt de kas meer op een geraamte. Ieder conduct is weer anders van vorm en lengte. De discant van de Bourdon komt op een verhoogde stok direct achter het front te staan. De conducten zijn de verbinding van orgelpijp met de windlade.

Voor de Trompet zijn de stevels en koppen gemaakt. Bij de labiaal pijpen ontstaat de toon bij het bovenlabium (= lip). De orgelwind komt door de smalle strook naar buiten en bij dit bovenlabium ontstaat een werveling van wind, welke frequentie afhankelijk is van de lengte van de orgelpijp (toonhoogte). Bij een tongwerk, zoals de Trompet, wordt de toon gemaakt door een dunne koperen strip (= tong) die op een smalle “lepel” (= keel) ligt en door de orgelwind tegen de keel wordt geduwd, en door de veerkracht van de tong weer terug komt. Die keel wordt in de kop (op de foto rechts) geklemd. De kop met de keel staat in de stevel. De toonhoogte wordt hier bepaald door de lengte van de tong. De metalen beker, die op de kop geplaatst is zorgt voor de versterking van de klank. Een verschijnsel dat iedereen wel herkent. Want wat doet u als u buiten iemand roept die op een grotere afstand staat . . .? Juist u vormt met uw handen een trechter om de mond en roept . . . halloooo . . .

Het wordt weer elegant

De kappen zijn opgehoogd en hebben nu weer op dezelfde hoogte waarmee Pieter van Dam het orgel in 1913 opleverde. Nu de kas nog niet geschilderd is kan men nog duidelijk te zien hoeveel er tussen gekomen is. Het geeft nu de kas zijn elegantie al weer terug.
Het dwarswerk staat, zoals de naam ook aangeeft, ‘dwars’ in het orgel; op de foto het aanzicht vanaf de klavierzijde. Rechts staat het metalen pijpwerk van de Viola di Gamba.
Voor de grootste pijpen is er vaak geen ruimte om op de windlade te staan.  Deze staan dan achter de lade op een vervoersstok, een dikke plank waarin windkanaaltjes zijn gemaakt die van de windlade naar de pijpopening  gaan.
Een uitsparing in de kap van de kas was hier nodig om het grootste houten pijpwerk van de Fluit dolce 8 voet een plaats te kunnen geven. Dat er met de ruimte gewoekerd moet worden laat ook het windkanaal naar het dwarswerk zien.  Dat gaat zelfs door het registermechaniek heen; aan de ene kant de registerwellen en aan de andere kant de registertrekker.
De tremulantklep in het windkanaal van het dwarswerk is opgeborgen in een houten kistje. Wordt de klep opengehouden dan kan de wind ongestoord door naar de lade, wordt de klep gesloten dan moet de wind steeds even extra druk opbouwen om de klep te openen waarna de wind er door “schiet” en de klep weer dicht valt. Daardoor ontstaat een variërende orgelwind waardoor tijdens het spel de klank gaat tremuleren of zweven.

. . . door het oog van de naald . . .

. . . . nee, niet figuurlijk maar letterlijk! Het ambacht van orgelmaker is erg gevarieerd. Naast houtbewerking, moet hij kennis hebben met b.v. lood, messing, ijzer, ivoor of been, leer, lijm- en verfsoorten. Ook moet hij de vaardigheden hebben om daar mee om te gaan. Meestal zien de mensen niet meer van het orgel dan alleen het front, maar als je de gelegenheid krijgt om een in het orgel te kijken moet je die kans met beide handen aangrijpen. Naast de grote delen zoals b.v. de orgelkas is hij een andere keer met iets kleins bezig. Hij heeft zojuist een katoenen draad door het oog van de naald gestoken en is de messing oogjes aan het festonneren. De oogjes moeten voorzien zijn van een katoenen “manteltje” om tijdens het orgelspelen geen gerammel van de toetsmechaniek te horen; totaal moeten er 54 oogjes op deze manier bewerkt worden.

. . in het verborgene . . .

Soms blijven de oplossingen die een orgelmaker moet maken verborgen voor iedereen. Omdat het een oude windlade betreft van een huisorgel met een registerdeling in bas en discant moeten sommige slepen aan elkaar gekoppeld worden. In deze windlade liggen de slepen van de fluit 4 vt niet in het verlengde van elkaar. Het speciale koppelstuk dat beide slepen met elkaar verbindt gaat schuil onder de pijpstokken. Onzichtbaar voor de bespeler en de geïnteresseerde kijker.
Bij de Woudfluit gaat het iets anders. De discantsleep, die aan de registerknop gekoppeld is, trekt via een ijzeren balanswel de bassleep open.
Door het opschuiven en een andere indeling van het pijpwerk, zie ook het vorige bericht, zijn er nieuwe stokken en slepen nodig. Als gevolg hiervan zijn ook de pijproosters vernieuwd.

. . . ongeveer 25% . . .

Niet alleen de windlade voor het dwarswerk, maar ook een menigte aan “losse” onderdelen die daarvan deel zijn, worden onderhanden genomen. Van een aantal ventielen waren stukjes hout afgebroken en enkele waren zelfs gescheurd. Deze zijn weer volledig hersteld. Dat is nu nog goed zichtbaar omdat het oude hout, dat daarvoor gebruikt is, nog schoon is. Ook voor de vernieuwde zijkant van de windlade is oud eikenhout gebruikt.
Verder zijn er nieuwe stokken en slepen gemaakt. Het pijpwerk op het oude windlaadje is van diverse makelij en dateert van plm. 1800-1860. De ‘nieuwe’ Quintfluit 3 vt is een opgeschoven 1 voets-register. Ogenschijnlijk een kleine wijziging, echter met gevolg dat er nieuwe pijpstokken gemaakt moeten worden.
De windlade waar alle pijpen op staan heeft 54 kamertjes, die we cancellen noemen. Iedere toon heeft zijn eigen kamertje. Niet iedere pijp kan een plaats direct boven die cancel krijgen. Daarom moet de wind, die vanuit de cancel naar de orgelpijp gaat, soms een omleiding volgen, d.m.v. een vervoersstok. Het ene uiteinde van de sleuf begint boven de cancel en komt uit bij de orgelpijp.
Wanneer de afstand tussen windlade en pijp te groot is voor een vervoerstok maken we gebruik van een dun loden buisje dat we conduct noemen. De ene kant in het ronde gat en de andere kant wordt aangesloten op de pijp. We komen die toepassing ook tegen bij de orgelpijpen die in het front staan.
Zo moet er effectief en heel precies gewerkt worden. Want hoe zorg je voor voldoende toevoer van wind als de ruimte beperkt is? Zo zijn de gaten in de stokken van de Fluit dolce 8’ bas vierkant gemaakt in plaats van rond. Bij eenzelfde doorsnee is de oppervlakte van een vierkant ongeveer 25% groter dan een rond gat.

. . het was even proppen . . .

De windlade voor het dwarswerk wordt stevig onderhanden genomen. Door de orgelmakers Van Dam werd voor het tweede klavier vaker een lade van een huisorgel gebruikt. Ook hier doen we dat. Helaas is de bouwer onbekend. De uiterlijke kenmerken wijzen er echter op dat het trapeziumvormige laadje van een Amsterdamse makelij is en omstreeks 1814 gemaakt. Je zou kunnen denken aan Knipscheer, in ieder geval is het van de Amsterdamse orgelmakers-school.
Voor de bouw daarvan is eerste klas kwaliteit eikenhout gebruikt. In de orgelmakerij spreken we dan over mooi fijn jarig eikenhout, zuiver kwartiers gezaagd. De cancellen zijn met de hand gezaagd en uitgestoken. In de jaren 50 van de vorige eeuw is dit door een amateurbouwer aangepast. De lade wordt geheel schoongemaakt, van nieuw leer voorzien en alle ondeskundig en uitgesleten gaten worden weer gedicht met proppen van oud eikenhout.

Merkwaardig is dat er onder de dammen een rij met boringen tevoorschijn komt. Hoewel de gaten door de dammen afgedicht wordt is toch maar voor de meest bedrijfszekere oplossing gekozen. Ook opvullen!