. . . nee, dit kan niet waar zijn . . .

Na de ingebruikname van het orgel is er open orgelmiddag georganiseerd. Deze werd ’s avonds afgesloten met een orgelconcert door Dick Sanderman. Rini Wimmenhove vertelde in een korte toespraak op welke manier het instrument op zijn weg gekomen was. Een opmerkelijke “vondst” die je toch “eigenlijk niet kan laten staan”. Tot er vanuit een andere hoek belangstelling voor het instrument was. Hij schetst in korte lijnen hoe het orgel uitgebreid is met een tweede klavier. Het binnenwerk van het oude huisorgel heeft, zoals Van Dam vaker deed, een plaats in de kast gekregen. Voorbeelden zijn b.v. Kinderdijk, Lambertschaag en Eelde.

De handpomp installatie, die weer in oude staat hersteld is, werd gebruikt tijdens de klankdemonstraties die Aart van Andel liet horen.
Dirk Bakker heeft de, voor hem, uitermate moeilijke vraag gekregen om IETS (!) over Van Dam te vertellen. Hij haakt aan bij de opmerking bij de ingebruikname “. . . jij had hier volgens ons een dubbele agenda. Je onze adviseur, namens de Hervormde Gemeente van Nieuw Beijerland, maar tegelijkertijd hebben we je er ergens van verdacht ook adviseur te zijn van Van Dam.” “Hoe lastig is om in deze tijd zulke waardevolle instrumenten een nieuwe eigenaar te geven.” Dirk verteld dat dit het tweede orgel is met zinken frontpijpen. Dit werd niet gedaan uit weelde, het was crisis in die periode. Een moeilijke tijd, ook voor het huis van Van Dam. Bijzonder is het dan ook dat je dat niet hoort of ziet.  Het heeft een verrassend klassieke klank. Heel anders dan andere orgels die in dezelfde periode gemaakt zijn.
Aart van Andel sluit het officiële deel af met een kort concert waarin hij weer diverse klankkleuren laat horen. Daarna is er voor de gasten ruimte om het instrument verder te bekijken en te bespelen.
De open orgeldag wordt ’s avonds afgesloten met een concert door Dick Sanderman. Naast de solo-orgelwerken was er ook ruimte voor was voor samenzang. Gehoor gevend aan een wens uit de gemeente en ook omdat de primaire taak van dit orgel het ondersteunen van de gemeentezang is.
Deze avond krijgt een vervolg op 22 december met een concert door Rien Donkersloot. Een concert (aanvang 19.30 uur)  zal in teken staan van advent en kerst. Ook dan is er ruimte voor samenzang.

Advertenties

. . . een witte raaf . . .

Het orgel is in officieel in gebruik genomen. Een kerk vol belangstellende mensen zijn er getuige van geweest. Naast de meditatie van ds. A. J. Post waren er drie toespraken en ruimte voor orgelspel en samenzang. Kerkrentmeester C. de Regt schetste in korte lijnen hoe de zoektocht naar een nieuw orgel plaats verlopen was. Organist Jan de Winter klopte bij in 2011 aan bij de kerkeraad . . . “is er nog wat geld over voor een nieuw orgel?”. “Er zijn tegenwoordig veel gebruikte 2 klaviers orgels te koop uit kerken die gesloten worden”. Er wordt gehoor aan gegeven, een orgelcommissie wordt ingesteld en een orgeladviseur wordt benoemd. Na gesprekken met de adviseur wordt duidelijk dat niet alle orgels geschikt zijn en in veel gevallen zou men er niet op vooruit gaan. Het moest een historisch verantwoord orgel worden met een romantische klank. En dan met twee klavieren. Maar historische kerken met instrumenten die hiervoor in aanmerking kwamen bleven meestal wel bestaan gaf de adviseur aan. Tsja . . .  het zou zoeken worden naar een witte raaf. Na lang zoeken wordt de raaf gesignaleerd. Wimmenhove heeft een 1 klaviers historisch orgel te koop. Na diverse gesprekken wordt de opdracht verleend om het orgel te restaureren en uit te breiden met een tweede klavier.  Na het verhaal van de kerkrentmeester is het de beurt voor de adviseur. Dirk Bakker staat vooral stil bij de geschiedenis van het orgel en van de Fa. L. van Dam en zonen. De moeilijke tijd waarin de firma zich bevind. Een kerkbestuur dat pas wilde  betalen als het orgel helemaal afgebouwd werd. Verder werd het tijdstip van Van Dam in de kerk aan de slag kom steeds uitgesteld.  In die periode stond zelfs de woonkamer van Pieter van Dam vol met orgelonderdelen. Toch nam Van Dam de opdracht om een orgel voor de Gereformeerde Kerk van Hantumhuizen te bouwen aan. Daarna vertelde orgelmaker Rini Wimmenhove hoe dit instrument in zijn bezit gekomen is. Verder hoe de contacten met het kerkbestuur van de Hervormde Kerk in Nieuw Beijerland tot stand gekomen zijn. Wimmenhove vertelt over de restauratie van het Van Dam orgel en van het binnenwerk van het historische huisorgel. Over het vinden van krantenknipsels uit 1814. Een aanduiding van de leeftijd van het binnenwerk. Ook verteld hij het samenvoegen van beide orgels wordt belicht. Dirk Bakker laat in een kleine klankdemonstratie verschillende klankkleuren van het orgel horen. Met het overhandigen, na deze klankdemonstratie, van het originele naamplaatje van de orgelmaker – Fa. L. van Dam en zonen – aan de voorzitter van het College van Kerkrentmeesters is de overdracht van het orgel een feit. De kerk loopt langzaam leeg, bezoekers gaan huiswaarts en bezoekers blijven praten. Anderen gaan boven bij het orgel kijken. Een praatje met elkaar of met de orgelmaker en zijn er getuige van dat het naamplaatje een “ereplaats” op het orgel krijgt.

Grôôs . . .

Nog even en de ingebruikname van het gerestaureerde Van Dam orgel is een feit. Afgelopen donderdag is de stelling voor het orgel weggerold en staat het orgel er in al haar glorie bij. Alsof het altijd hier gestaan had. Een moment om trots op te zijn. Trots dat Pieter van Dam in zijn tijd zo’n fraaie kas ontwierp. Trots op de orgelmaker die de waarde van het instrument in zag. Trots op het vertrouwen van een orgelcommissie. Nu de laatste loodjes nog voor a.s. vrijdag. Op historische wijze is een dwarswerk ingebouwd. Hiervoor was men in de eerste opzet van nieuwbouw uitgegaan tot het moment dat er een historisch huisorgel gevonden werd. Een werk van de orgelmaker Knipscheer. Twee historische orgels samenvoegen tot een geheel. Dit werd in het verleden ook toegepast. Een instrument dat in feite afgedankt was staat er weer bij als een monumentaal orgel. Weer helemaal klaar voor zijn taak, het begeleiden van de gemeentezang.

. . . waar je warm van wordt . . .

Het uur U is aangebroken, de vrachtauto van de vervoerder rijd langzaam achteruit naar de werkplaats. De deur zwaait open, het laden kan beginnen. Alles verloopt vlot en tegen twaalven gaat het richting Nieuw Beijerland. Maar dan is het ook tijd om uit te laden met z’n vieren pakken ze de klus aan en een uurtje later is de auto leeg. Als eerste maar het basisframe plaatsen. Belangrijk is het waterpas is en op de juiste plaats staat.
De volgende dag wordt de kas verder opgebouwd. Diezelfde dag nog volgen de windlade, de balg en de kappen dezelfde weg naar boven. Alles krijgt zijn plaats en de nieuwe kroonstukken prijken boven op de kas.
Vanuit de kerk krijgt men nu al een aardige indruk van het orgel. Natuurlijk zijn we er nog niet want er moet nog wel het nodige werk verzet worden. Werk waarvan de bezoeker, die in de kerk staat te kijken, niet zoveel van meekrijgt. Het aansluiten van mechanieken, een deel van het windkanaal, allemaal “klein” werk.
Na de zondag, waarop men ongetwijfeld over het bouwsel achterin de kerk heeft gesproken, wordt de tractuur aangebracht. Een minutieus werkje, zie het vorige verslagje, dat tijd kost. Vervolgens moet dat dan ook nog eens afgeregeld worden zodat er een fijne speelaard bereikt wordt. Een goed toucher, zoals men zegt, want daar houden organisten van. Vraag ze daar maar eens naar! Vanuit de gemeente is er veel belangstelling. Iets waar een ambachtsman, die met zoveel liefde zijn instrument bouwt, warm van wordt. (Foto’s: A. J. Post)

 

je bent aardig gegroeid . . .

Voor het pedaal heeft Rini Wimmenhove de drie grootste pijpen bijgemaakt. Natuurlijk van dezelfde houtsoort als Van Dam in die tijd gebruikte: yellow pine. Hij heeft hiermee bewust het corpus van het register Subbas 16 voet een wat wijdere mensuur gegeven. Mooi die vaktaal van een orgelmaker, corpus betekent lichaam en mensuur betekend doorsnee . . .  Zo’n wijdere mensuur geeft de pijp een mooie dragende toon. De bestaande pijpen worden vervolgens allemaal 3 halve tonen opgeschoven. En komt er voor iedere toon een pijp met een wijdere mensuur beschikbaar. Ze zijn dus aardig gegroeid, niet in lengte maar wel in omvang. Daarnaast zijn alle pijpen van het pedaal, inderdaad die grote houten jongens waarvan de grootste ruim twee en een halve meter lang is, grondig nagekeken. Daar waar nodig was zijn ze gerepareerd of zijn er delen vervangen. Gerestaureerd en weer klaar voor de toekomst en hun taak. Een ondersteunende en stevige baspartij meespelen!

 

abstract = concreet

Het lijkt op hogere wiskunde voor orgelmakers. Ik hoop dat dit artikeltje als lekentaal overkomt . . .
Concreet is volgens het woordenboek: inzichtelijk, zichtbaar. De mechanische orgelbouw is dat ook. Zichtbaar, te volgen . . .
Als de toets ingedrukt wordt dan wordt er via allerlei winkelhaken en dunne houten latjes het ventiel geopend om zo wind door de pijp te laten stromen.
De orgelmaker spreekt alleen niet over dunne houten latjes maar over . . . abstracten. Hoe verwarrend kan dat voor de leek zijn als abstract ineens concreet is.
De vertikale beweging van de pedaaltoets wordt omgezet naar en horizontale beweging, daarna wordt het weer een vertikale beweging om het ventiel te openen.
De pedaallade staat dan ook nog eens haaks op het pedaal klavier. We kunnen best spreken over een complex actieplan.

Een fluitje van een cent?

. . . dat is met een tongwerk bepaald niet aan de orde. Een arbeidsintensieve klus. Eén pijp bevat zeven onderdelen. De toon wordt gevormd door de tong die op de keel ligt. Afhankelijk van de gewenste klank kan er gekozen worden voor lood- of leerbeleg op de messing keel. Het tongwerk voor Nieuw Beijerland begint in het groot octaaf als Fagot of Basson en wordt daarna Trompet. Niets nieuws onder de zon want Lambertus van Dam paste dat in 1813 al toe in het orgel voor Oosterbierum. De keel en tong worden door een spie vastgeklemd in de kop van het tongwerk. De kop staat op de stevel, of in de stevel, een houten kamertje waar de orgelwind door stroomt om de tong in beweging te brengen. Door de kop loopt de stemkruk. Het einde van de kruk is zodanig omgebogen dat het op de tong rust. De afstand tussen de stemkruk en het uiteinde van de tong bepaalt de toonhoogte. Om de toon van de tong te versterken (resoneren) staat boven op de kop de beker.
Al met al zeven onderdelen die ieder hun eigen bewerkingsmethode vereisen, en dan 56x dezelfde handelingen van groot naar klein.
Bekijk de slideshow waar ook de diverse handelingen in beeld zijn gebracht.

N70_4314 b

. . . halloooo . . . .

Van buiten heeft het orgel altijd wel een stevige uitstraling. De binnenkant ziet er heel wat gedetailleerder en gecompliceerder uit. Denk even aan het festonneren van de oogjes. In de ventielkast zijn nieuwe pulpeten gemaakt: kleine leren zakjes die een beweegbare afdichting realiseren op de plaats waar de trekdraden naar buiten gaan. Op een zelfde manier gemaakt zoals ook door Van Dam werd uitgevoerd. Het oranje/rode is een verzegeling van lak, zgn zegellak, wat destijds ook bij het verzegelen van brieven werd gebruikt. Jammer dat daar straks weer een voorslag voor zit, het kleurt zo chique, wit, het goudkleurige messing en het felrode bandje. Het maken alleen al is een tijdrovend klusje en ook het inhaken van de trekdraden tussen ventiel en wellenbord is niet is in een uurtje gedaan.

Bij het pijpwerk, dat uit een oud huisorgel afkomstig is, is na vergelijkend onderzoek vastgesteld dat het voor het grootste deel door H. Knipscheer (tweede generatie) gemaakt is. Knipscheer werd in 1802 geboren en was orgelmaker in Amsterdam. Het bedrijf stond aan de Nieuwezijds Achterburgwal, waar hij zelfstandig zijn eerste orgel maakte voor de Hervormde Kerk in Sassenheim. In 1845 verhuisde het bedrijf naar de Nieuwezijds Voorburgwal en ten slotte in 1858 naar de Warmoesstraat. De twee laatste panden lagen aan een gracht, waardoor het vervoer van orgels gemakkelijk was.

Vandaag staat er een kist met nieuwe conducten naast de orgelkas, hoewel zonder panelen lijkt de kas meer op een geraamte. Ieder conduct is weer anders van vorm en lengte. De discant van de Bourdon komt op een verhoogde stok direct achter het front te staan. De conducten zijn de verbinding van orgelpijp met de windlade.

Voor de Trompet zijn de stevels en koppen gemaakt. Bij de labiaal pijpen ontstaat de toon bij het bovenlabium (= lip). De orgelwind komt door de smalle strook naar buiten en bij dit bovenlabium ontstaat een werveling van wind, welke frequentie afhankelijk is van de lengte van de orgelpijp (toonhoogte). Bij een tongwerk, zoals de Trompet, wordt de toon gemaakt door een dunne koperen strip (= tong) die op een smalle “lepel” (= keel) ligt en door de orgelwind tegen de keel wordt geduwd, en door de veerkracht van de tong weer terug komt. Die keel wordt in de kop (op de foto rechts) geklemd. De kop met de keel staat in de stevel. De toonhoogte wordt hier bepaald door de lengte van de tong. De metalen beker, die op de kop geplaatst is zorgt voor de versterking van de klank. Een verschijnsel dat iedereen wel herkent. Want wat doet u als u buiten iemand roept die op een grotere afstand staat . . .? Juist u vormt met uw handen een trechter om de mond en roept . . . halloooo . . .

Het wordt weer elegant

De kappen zijn opgehoogd en hebben nu weer op dezelfde hoogte waarmee Pieter van Dam het orgel in 1913 opleverde. Nu de kas nog niet geschilderd is kan men nog duidelijk te zien hoeveel er tussen gekomen is. Het geeft nu de kas zijn elegantie al weer terug.
Het dwarswerk staat, zoals de naam ook aangeeft, ‘dwars’ in het orgel; op de foto het aanzicht vanaf de klavierzijde. Rechts staat het metalen pijpwerk van de Viola di Gamba.
Voor de grootste pijpen is er vaak geen ruimte om op de windlade te staan.  Deze staan dan achter de lade op een vervoersstok, een dikke plank waarin windkanaaltjes zijn gemaakt die van de windlade naar de pijpopening  gaan.
Een uitsparing in de kap van de kas was hier nodig om het grootste houten pijpwerk van de Fluit dolce 8 voet een plaats te kunnen geven. Dat er met de ruimte gewoekerd moet worden laat ook het windkanaal naar het dwarswerk zien.  Dat gaat zelfs door het registermechaniek heen; aan de ene kant de registerwellen en aan de andere kant de registertrekker.
De tremulantklep in het windkanaal van het dwarswerk is opgeborgen in een houten kistje. Wordt de klep opengehouden dan kan de wind ongestoord door naar de lade, wordt de klep gesloten dan moet de wind steeds even extra druk opbouwen om de klep te openen waarna de wind er door “schiet” en de klep weer dicht valt. Daardoor ontstaat een variërende orgelwind waardoor tijdens het spel de klank gaat tremuleren of zweven.

. . . door het oog van de naald . . .

. . . . nee, niet figuurlijk maar letterlijk! Het ambacht van orgelmaker is erg gevarieerd. Naast houtbewerking, moet hij kennis hebben met b.v. lood, messing, ijzer, ivoor of been, leer, lijm- en verfsoorten. Ook moet hij de vaardigheden hebben om daar mee om te gaan. Meestal zien de mensen niet meer van het orgel dan alleen het front, maar als je de gelegenheid krijgt om een in het orgel te kijken moet je die kans met beide handen aangrijpen. Naast de grote delen zoals b.v. de orgelkas is hij een andere keer met iets kleins bezig. Hij heeft zojuist een katoenen draad door het oog van de naald gestoken en is de messing oogjes aan het festonneren. De oogjes moeten voorzien zijn van een katoenen “manteltje” om tijdens het orgelspelen geen gerammel van de toetsmechaniek te horen; totaal moeten er 54 oogjes op deze manier bewerkt worden.